Fris

FMG Fris

fris (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord; vergrotende trap: frisser, overtreffende trap: frist)

1. de middelen tot overdracht en verspreiding van kennis en informatie
2) zonder een spoor van verval of bederf; (van kleuren) helder
3) jong, nieuw: met frisse moed
4) zuiver en opwekkend; aangenaam koel: in de frisse lucht
5) kouder dan je zou verwachten

Een andere kijk  op bestaande zaken kan vaak verfrissend werken. Fris en fruitig staan wij bij Freestyle Media Groep voor u klaar om de zaken net even iets anders aan te pakken. Wij laten graag onze frisse visie op uw wensen los.